Bijna een jaar geleden heb ik gezinsuitbreiding gekregen. Ze kwam van de straat en was zwanger – niet van mij overigens. Maar een zwangere dakloze laat je natuurlijk niet aan zijn of haar lot over. Al gaat het bij zwangeren in de meeste gevallen om een haar.
En dus kwam er ze in huis, maar niet voordat ze preventief was ontdaan van haar volledige baarmoeder met inhoud, was dus neerkwam op niet alleen sterilisatie maar ook abortus. Als je toch bezig bent.
Het resultaat mag er zijn: Sipi is een hartstikke mooie, gezellige en lieve poes.
Ik ben altijd gefascineerd geweest door de gelijkenissen die huisdieren en hun baasjes hebben. Ik heb bijvoorbeeld ook geen baarmoeder, net als Sipi, en veel haar op mijn hoofd. En dat haar op mijn hoofd denkt daar dus aan: wat was er eerder, de kenmerken en het karakter van het dier of die van de mens?
Ik zie bijvoorbeeld het paardenmeisje met de overbeet voor me. De vechtersbaas met de pitbull. De truttige boomer met het fluffy hondje. De groenteknager met een konijn. De bonenstaak met de wandelende tak. De naaktpoes van de… Afijn, het punt mag duidelijk zijn.
Kiezen de baasjes een dier dat bij ze past op basis van hun eigen uiterlijk en interesses? Passen de dieren zich aan hun baasje aan? Of gaat het baasje langzaam op het huisdier lijken?
Toen onze Sipi (ik mag Siep zeggen – net als iedereen, want ze reageert alleen op het geluid van snoepjes dus het maakt geen zak uit hoe je haar noemt) bij ons in huis kwam, woog ze 3,2 kilo. Niet gek, want ze was klein van stuk en had een lege buik. Er zat immers geen baarmoeder en kitten meer in.
Bovendien kwam ze van de straat, en daar ligt het eten niet voor het oprapen. En waar streetfood voor mensen doorgaans dikmakend is, ligt dat bij katten blijkbaar toch anders. Er zat dus weinig spek op het beestje, in tegenstelling tot het varken dat als huisdier van de snackbareigenaar (let op de gelijkenis!) inmiddels is verworden tot hamburger. Dat is toch nog een andere categorie ingreep dan een sterelisabortus.
Gelukkig vertelden ze bij het asiel dat we Sipi onbeperkt brokjes konden geven. “Katten overeten zich niet en weten precies hoeveel eten goed voor ze is.” Nou weet ik ook precies hoe veel eten goed voor me is, maar dat zegt weinig over hoe ik daar in de praktijk mee omga. Maar ik ben ook geen kat, concludeerde ik.
Ruim een half jaar later bleek Sipi toch echt een Siep te zijn geworden. De kleine schildpad-op-wit leek inmiddels meer op een walvis-op-zandstrand, duidelijk niet zoals ze was aangetrofen op straat. Siep zit ruim in haar vel en vacht, zeg maar.
En dat brengt mij terug op de vraag wie er eerder was: de mens die op zijn huisdier lijkt, of het huisdier dat zich aanpast aan het baasje. Uit eigen onderzoek kan ik nu dus concluderen dat het laatste waar (b)lijkt.
Sipi bleek als nieuwste gezinslid een spiegel. Zo eentje uit een sprookje die je haarfijn vertelt wie de mooiste van het land is. En dat dan gelijk ook visualiseert, want zo zijn spiegels.
Daarom is de kat inmiddels op dieet. 40 gram brokjes per dag, geen snoepjes en uitsluitend water. Ik heb nog overwogen om uit solidariteit mee te doen, maar je wilt toch niet de indruk wekken dat je op je slanke straatkat zonder baarmoeder gaat lijken.



